In auto’s worden de verschillende “apparaten” niet rechtstreeks met een schakelaar aan en uitgezet. Hiervoor zou je ontzettend grote schakelaars nodig hebben. Na verloop van tijd branden de contactpunten van de schakelaar ook in door de vonken die je met grote stromen trekt. Om dit probleem te tackelen gebruikt men relais. Maar hoe werkt een relais?

85 sluit je aan op de plus en 86 op de aarde. Met de schakelaar S1 die vóór het relais is gemonteerd kun je het relais aan en uit zetten. Er zal een klein stroompje gaan lopen die in een spoeltje een magnetisch veld opwekt. Hierdoor zal een stalenpennetje in het spoeltje worden getrokken. Dit pennetje zal op zijn beurt de schakelaar R1 , die in het relais zit, sluiten. De schakelaar S1 kan, door het kleine stroompje, klein blijven.
De relais-schakelaar R1 zit tussen de aansluitingen 30 en 87. Aansluiting 30 is ook, via het zekeringskastje, verbonden met de plus van de accu. De aansluiting 87 gaat naar de lamp.
Het relais verbruikt ontzettend weinig stroom en kan met een dun draadje worden aangesloten. Het “apparaat” dat je met het relais aan en uit zet zal meer stroom gebruiken. De draaddikte zal dan ook worden bepaald door het benodigde vermogen.
Omdat er diverse apparaten geschakeld moeten worden zijn hiervoor natuurlijk ook verschillende relais nodig. Op deze relais staan dan ook verschillende nummers. Kijk voor het aansluiten van het relais goed hoe je deze moet aansluiten.